Een reflectie op de Visienota Kunsten en Cultureel erfgoed
De blik van Lien Verwaeren, directeur bij OP/TIL
Op 1 april stelde Vlaams minister Gennez haar Strategische Visienota Kunsten en Cultureel Erfgoed 2026-2030 voor. Voor het eerst zijn er geen aparte nota’s Kunsten en Cultureel Erfgoed, maar worden de uitdagingen in één strategische nota samengebracht.
Het is alvast een goede stap naar een meer integrale visie op het cultuurbeleid om deze twee sectoren en hun uitdagingen in één nota samen te voegen.
Deze nota is het resultaat van een traject waarbij het veld zelf betrokken is. Ook OP/TIL dook in het proces. Samen met de Lokale Kunstenoverleggen, de IGS’en cultuur en Kunstenpunt, schreven we een insteek.
We formuleerden concrete voorwaarden en aanbevelingen om van het (boven)lokale kunstenveld een dynamische plek te maken.
Duik je graag dieper in de details? Je vindt de voorwaarden en de concrete uitwerking ervan terug in onze Nota (boven)lokaal kunstenveld. We zetten het kader helder voor je op een rij.
Drie leidende principes voor de Kunsten en het Cultureel Erfgoed
De visienota benoemt de leidende principes van de strategie en schetst de belangrijkste uitdagingen voor de komende jaren. Minister Caroline Gennez vertrekt vanuit 3 basisprincipes, waarin we duidelijk de thema’s herkennen waar zij wil op inzetten en waar ook in andere trajecten zoals Horizon 2035 wordt rond gewerkt:
- Cultuur als universeel recht en publiek goed;
- autonomie, artistieke vrijheid en solidariteit;
- meerstemmigheid en inclusie.
Vanuit die principes focust deze nota op de noden en dynamieken van het kunsten en het cultureel erfgoedbeleid. De uitdagingen die ze benoemt, sluiten ook aan bij de thema’s waar OP/TIL op hamerde: de spreiding van de kunsten, de noodzaak om meer transversaal samen te werken, de afstemming tussen de verschillende beleidsniveaus.
De minister erkent daarbij de lokale besturen als cruciale partners in een duurzaam kunsten- en erfgoedbeleid. Vervolgens gaat de minister dieper op zoek naar antwoorden en daarbinnen legt ze ook haar prioriteiten, eerst algemeen voor het bredere culturele veld, maar verder in de nota ook specifiek voor de sectoren Kunsten en Cultureel Erfgoed apart.
Ze reikt ook de hand naar andere beleidsdomeinen, niet als verplichting, maar om de kracht en reikwijdte van Kunsten en Cultureel Erfgoed te versterken.
Heel wat collega’s uit de sector (VI.BE, cult! en FARO) schreven al mooie samenvattingen, conclusies en reflecties. Kunstenpunt organiseert op 12 mei een infosessie over de Strategische Visienota Kunsten. OP/TIL neemt ook een aantal aandachtspunten mee en is blij een aantal elementen uit de insteeknota te herkennen.
Cultuureducatie
De samenwerking tussen cultuur en onderwijs krijgt een prominente plek in de visienota Kunsten & Cultureel Erfgoed.
De minister ziet cultuureducatie immers als het fundament voor cultuurparticipatie. Uit onderzoek blijkt immers dat kunst- en cultuureducatie in de jongste jaren bepalend zijn voor latere participatie. Dat sluit ook aan bij de insteek die OP/TIL binnenbracht.
Zo volgen we ook vol belangstelling de evaluaties in het kader van de Conceptnota Kunst en Cultuur voor elke leerling. In die nota wordt cultuur in het onderwijs gebracht als volwaardige partner, niet als iets extra's: de onderwijsdoelen blijven het kompas, maar cultuur zit daar midden in.
De nota dient als basis voor de departementen CJM en Onderwijs om samen met experten een aantal zaken concreet te maken. Zo wordt er een kwaliteitskader cultuureducatie uitgewerkt, met vormingstrajecten en de uitbouw van Cultuurkuur als hét referentieplatform. Ze werken ook aan een experimenteel subsidiekader met twee subsidielijnen.
- Een eerste spoor ondersteunt schoolteams bij het toepassen van het kwaliteitskader, met hulp van twee rollen: een cultuureducator op school en een cultuurspecialist.
- Daarnaast is er een tweede spoor dat culturele organisaties helpt bij het ontwikkelen van leermaterialen voor scholen, bijvoorbeeld voor activiteiten buiten de school.
Samenwerking over de gemeentegrenzen heen.
De minister erkent in de visienota Kunsten en Cultureel Erfgoed ook dat publiek en makers zich niet binnen één stad of gemeente bewegen. Dat maakt bovenlokale afstemming noodzakelijk. Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden met een bovenlokale cultuurwerking (IGS’en cultuur) spelen daarin een belangrijke rol. Ze verbinden spelers, delen kennis en helpen projecten opzetten.
OP/TIL is dan ook blij te lezen dat de minister de komende jaren met het Bovenlokale cultuurdecreet wil inzetten op de groei en versterking van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Het feit dat recent (1 april) maar liefst 24 regio’s een cultuurnota indienden - met het oog op een erkenning vanaf 2027- klinkt op dit vlak alvast veelbelovend.
Een geïntegreerd lokaal cultuurbeleid als basis
Voor het eerst in jaren erkent de minister in deze Visienota ook het belang van het lokaal cultuurbeleid. In de insteek die OP/TIL gaf benadrukten we ook dat het lokale kunstenbeleid een onderdeel is van een geïntegreerd lokaal cultuurbeleid. Kunstenaars en organisaties hebben er baat bij dat dat goed uitgebouwd is. Ze maken er deel uit van een breed cultureel ecosysteem waarin de verschillende sectoren - circussector, amateurkunsten, het socio-cultureel verenigingsleven en de erfgoedsector - elkaar wederzijds beïnvloeden. Vanuit de kunstpraktijk ontstaan bottom-up verbindingen met beleidsdomeinen zoals Onderwijs, Welzijn, Vrije Tijd, Jeugd en Toerisme.
“We herstellen zo de noodzakelijke en natuurlijke band met cultuurcentra – die intrinsiek een bovenlokale werking hebben - zonder afbreuk te doen aan de lokale autonomie. De sleutelrol van lokaal beheerde infrastructuur voor een dynamisch, divers en gelaagd kunstenveld wordt bevestigd. Cultuurcentra, bibliotheken en kleinere, vaak niet of projectmatig gesubsidieerde bottom-up initiatieven worden erkend als scharnier tussen lokale gemeenschappen en het professionele kunstenveld.” — Visienota Kunsten en Cultureel Erfgoed
Vanuit onze dagelijkse werking erkent OP/TIL het belang van het lokale niveau en de nood aan afstemming tussen de beleidsdomeinen. Daar ontstaan talenten. Daar groeit publiek. Daar leggen cultuurhuizen, bibliotheken, gemeenschapscentra en vrijetijdsdiensten verbindingen met onderwijs, welzijn en andere sectoren.
Die lokale humuslaag is geen detail. Ze is de basis van het hele systeem. Zonder die basis is er geen doorstroom naar bovenlokaal of Vlaams niveau. Toch staat net dat lokale niveau onder druk. Lokale besturen krijgen meer verantwoordelijkheid, maar de middelen groeien niet mee. Dat zorgt voor ongelijkheid tussen regio’s. Waar je woont, bepaalt nog te vaak welke kansen tot cultuur, kunsten en cultureel erfgoed je krijgt.
Het spreidingsvraagstuk
Spreiding wordt nog te vaak herleid tot het (ver)plaatsen van aanbod. De praktijk toont iets anders. Spreiding werkt sterk vanuit een lokale context.
Initiatieven die groeien vanuit een wijk of gemeenschap bereiken mensen. Dat vraagt een fundamentele verschuiving: van aanbodgericht naar contextgericht werken. Niet het aanbod centraal, maar de relatie met de plek en de mensen die er leven. Spreiding wordt dan geen logistieke oefening, maar een proces van verbinden, luisteren en samen creëren.
Vanuit die ambitie ontwikkelt OP/TIL een aanbod rond ‘publiek van de toekomst’, dat cultuuractoren ondersteunt om die omslag in hun praktijk waar te maken.
Tegelijk staan cultuurhuizen onder druk. Minder middelen betekent minder ruimte om risico te nemen. Minder kansen voor nieuw talent. Minder flexibiliteit in programmatie. Ook daardoor groeit de kloof tussen regio’s. Sommige regio’s bouwen sterke netwerken uit, andere blijven achter. De minister kijkt hier naar het Bovenlokale Cultuurdecreet:
“Samen met het steunpunt OP/TIL, de VVSG en het werkveld zetten we, binnen het huidige decretale kader, in op het ontwikkelen van een visie voor de grootschalige projectsubsidies, die is aangepast aan de noden van vandaag. We blijven hierbij inzetten op transversale projecten met een culturele finaliteit, maar maken ook de financiering mogelijk van projecten die inzetten op spreiding en samenwerking tussen lokale organisaties en landelijk erkende organisaties.“ — Visienota Kunsten en Cultureel Erfgoed
We zijn daarbij van mening dat de oplossing niet in één maatregel zal liggen. Ze ligt in een andere manier van werken. Je moet spreiding koppelen aan samenwerking en lokale verankering, aan regionaal samenwerken. Om op dat niveau nieuwe modellen te testen: wie bereik je en hoe bereik je die? Dat vraagt tijd, vertrouwen en structurele ondersteuning. OP/TIL wil graag een partner zijn voor het beleid om hier verder over na te denken en mee invulling te geven aan deze insteek vanuit de nota:
“We stimuleren innovatieve modellen waarbij cultuurcentra, vanuit het lokaal cultuurbeleid, mee investeren in creatieprocessen, waarbij duurzame relaties opgebouwd worden met makers en producenten. We zien het realiseren van toonkansen als essentieel onderdeel van het creatietraject. Kunst komt zo dichter bij een uiteenlopend publiek en de regionale noden worden beter meegenomen. Op die manier zorgen we ervoor dat beleidsinitiatieven elkaar versterken en niet alleen naast elkaar bestaan.” — Visienota Kunsten en Cultureel Erfgoed
Ruimte voor cultuur
Via de Community of practice Cultuurplekken van morgen brengt OP/TIL lokale, bovenlokale en Vlaamse actoren samen rond cultuurinfrastructuur. Wat de minister benoemt rond infrastructuur, klinkt herkenbaar op het terrein: verouderde gebouwen, betaalbaarheidsproblemen en versnipperde verantwoordelijkheden, gebrek aan goede data om beslissingen te nemen.
De Visienota haalt een combinatie van oplossingen aan zoals gedeeld, gemengd en tijdelijk ruimtegebruik. Daarbij staat ook opnieuw samenwerking centraal: een goede afstemming tussen verschillende organisaties onderling en tussen de verschillende beleidsniveaus.
In dat kader brengt OP/TIL in 2026 een groep van 20 pioniers samen in een werkplaats rond gedeeld ruimtegebruik, met als doel om praktijkervaringen te verdiepen en inzichten te delen met de bredere community en sector. De minister legt hier ook terecht de link met het cultuur- en jeugdinfrastructuurbeleid, waarbij men op korte termijn wil inzetten op inspireren, faciliteren en matchmaking. De geplande evaluatie van deze beleidslijn beoogt een subsidielijn om gedeeld ruimtegebruik te stimuleren.
Tot slot
Wij nemen uit deze nota vooral mee dat samenwerken nog aan belang groeit. Samenwerken binnen culturele sectoren onderling, tussen verschillende beleidsdomeinen, samenwerking in het belang van culturele democratisering of van gedeelde infrastructuur, maar zeker ook tussen de verschillende beleidsniveaus.
Alleen op die manier kunnen we bouwen aan een duurzaam Kunsten en Cultuurerfgoedveld dat opgewassen is tegen de huidige en toekomstige maatschappelijke uitdagingen. Een Vlaams beleid moet dit ondersteunen en verbinden. Niet door alles te sturen, maar door kaders te bieden die samenwerking mogelijk maken.
Voor de praktijk betekent dat een duidelijke keuze.
- Werk vanuit je lokale context door zicht te krijgen op je bevolkingscijfers en je netwerk.
- Zoek partners buiten je eigen sector. Investeer in bovenlokale netwerken.
- Denk in trajecten die verschillende niveaus verbinden.
- Zet in op toegang en participatie.
- En koppel spreiding zo veel mogelijk aan lokale verankering.
Dat is geen nieuwe theorie. Het is wat vandaag al gebeurt in het veld. Vanuit onze werking zijn wij vaak getuige van deze sterke praktijken.