Kansen moeten van onderuit komen
tekst / september 2025
In vijf jaar tijd heeft de projectsubsidie van het bovenlokaal cultuurdecreet een belangrijke rol gespeeld in het Vlaamse cultuurlandschap. Ze biedt ruimte om te groeien, bruggen te slaan en nieuwe publieken te bereiken. Maar de praktijk toont ook kwetsbaarheden. Vier ervaren stemmen delen hun inzichten. Wat werkt en wat schuurt?
Met An Van den Bergh, Hilde Cuyt, Jochen Smets en Jolle Desloover
Kansen zien en grijpen
Bij Het Scheldeoffensief zit bovenlokaal samenwerken in het DNA van de organisatie. “Onze missie om bij te dragen aan een inclusief podiumkunstenlandschap vraagt om samenwerking over gemeentegrenzen heen”, vertelt An. “Coproducties met cultuurhuizen, welzijnsorganisaties, voorzieningen en BUSOscholen behoren tot onze dagelijkse praktijk. Het is waardevol dat er een decreet bestaat dat ons toelaat om stevig te netwerken, nieuwe publieken aan te spreken en onze financiële slagkracht te versterken.”
Dat vindt ook Jochen Smets. Voor Wesp vzw was het decreet zelfs de motor van hun professionele evolutie. “Door samen te werken met andere spelers konden we onze projecten stap voor stap verdiepen en uitbouwen. Bovenlokaal samenwerken opende voor ons zelfs deuren naar een structurele erkenning via het Kunstendecreet.” Jolle van DURF2030 ziet in het bovenlokale kader vooral een uitnodiging om verder te kijken dan de grenzen van de eigen stad of organisatie. “Zonder die bovenlokale bril blijven initiatieven soms te veel lokaal vasthangen. Door bewust bovenlokaal te denken, daag je jezelf uit om buiten bestaande kaders te werken, te experimenteren, en zo sterker te worden.”
Jolle en Jochen maken deel uit van de beoordelingscommissie bovenlokale cultuurprojecten. Ook Hilde, directeur van cultuurhuis De Spil, benadrukt hoe bovenlokale projecten organisaties dwingen om over muren heen te kijken. “Ze bieden tijd en ruimte om maatschappelijke uitdagingen te verkennen en nieuwe methodieken te ontwikkelen.”
“Door bewust bovenlokaal te denken, daag je jezelf uit om buiten bestaande kaders te werken, te experimenteren, en zo sterker te worden.” — Jolle Desloover
Impact in het veld
De impact van vijf jaar bovenlokaal werken laat zich niet alleen voelen binnen organisaties, maar ook op het terrein. ‘De grootste winst zit in de verbindingen die ontstaan. Hoewel een project vluchtig lijkt, kan je op de netwerken verder blijven bouwen.’ stelt Hilde. “Een opvallend effect is dat er in het hele culturele veld een ander, breder publiek bereikt wordt door de samenwerkingen”, zegt Jochen. Jolle ziet hoe de subsidies nieuwe motoren genereren: “In de regio Zuidwest zijn er amateurorganisaties die nu regionaal aanzien hebben opgebouwd.” “Maar ook jonge makers zetten stappen om hun cultureel ondernemerschap te ontwikkelen”, weet Jochen.
Hilde benadrukt de persoonlijke groei van deelnemers dankzij een participatieve aanpak: “Zij krijgen nieuwe kansen. Ze groeien, vinden vertrouwen. Voor mij is dat cultuur in de breedste zin.” Die kruisbestuiving werkt ook intern door. “Want door samenwerking kom je in contact met andere visies die je een plek kan geven binnen je organisatie of project”, voegt Jolle toe.
Tussen kracht en kwetsbaarheid
“Ik vind het sterk dat je een bovenlokaal project heel breed mag invullen, maar het blijft natuurlijk projectondersteuning. Daarin zit zowel een kracht als een beperking. Want na afloop moet je zien hoe je het zelf kan verduurzamen”, vervolgt Jolle. Jochen vindt dat de lat soms hoog wordt gelegd. “Projecten moeten tegelijk vernieuwend, innovatief en duurzaam zijn. Hilde: “Je moet je telkens opnieuw heruitvinden. Wie duurzaam wil werken, moet eigenlijk al bij de indiening nadenken over hoe het project gaat landen. Zeker voor organisaties zonder structurele middelen kan dat zwaar doorwegen.”
Het Scheldeoffensief is daar een voorbeeld van. "Projectmatig werken is voor ons een noodzaak, maar maakt ons heel kwetsbaar”, weet An. “Omdat we geen structurele middelen hebben, moeten we de subsidiedossiers in onze vrije tijd schrijven. Er is ook geen financiële ruimte om netwerken te onderhouden en alle dagelijkse lijntjes goed aan elkaar te knopen. Werken met kwetsbare doelgroepen vraagt echter continuïteit, maar voor die bredere werking is er voorlopig geen oplossing voorzien binnen het bovenlokaal cultuurdecreet.”
Dat bovenlokale projecten voor drie jaar kunnen worden gesubsidieerd, waarderen de deskundigen. “Je verlaagt daarmee de planlast en kan meer tijd besteden op het terrein dan achter je pc. Drie jaar geeft de ruimte om op langere termijn te plannen”, aldus Hilde.
“De grootste winst zit niet alleen in de projecten zelf, maar in de verbindingen die daardoor ontstaan. Hoewel een project vluchtig lijkt, kan je op de netwerken blijven verder bouwen.”
Werelden verenigen vraagt geduld
Samenwerkingen in bovenlokale cultuurprojecten brengen vaak partners uit totaal verschillende sectoren samen. Die partners denken en werken soms fundamenteel anders. Hoe stem je verwachtingen op elkaar af? Hilde: “Voor je een dossier indient, moet je duidelijk weten wie wat gaat doen. Een zo concreet mogelijke intentieverklaring is cruciaal.” Minstens even belangrijk zijn de momenten waarop je tijdens het traject blijft investeren in je partnerschap. “Voorzie in je project daarom ook acties die de samenwerking zelf versterken”, zegt An. “Ga bij je partners langs, leer elkaar beter kennen, maak je eigen werking zichtbaar. Aan de relatie bouwen is minstens zo belangrijk als de inhoud van het project zelf.”
Geduld loont bij het opstarten van een project. “Er gaan maanden overheen met gesprekken, de opmaak van een aanvraagdossier, en dan begint het wachten op een beslissing”, vertelt Jolle. Toch hoeft die wachttijd geen rem te zijn, vindt Hilde: “Je kan intussen ook kleinschalige activiteiten zonder subsidies opzetten, waardoor je het vuur warm houdt.” Jochen begrijpt het tempo van het systeem, maar voelt tegelijk de spanning ervan: “Soms zit je in een goede dynamiek die daardoor dreigt stil te vallen.” Tegelijk is het net die langere voorbereidingstijd die tot kwaliteitsvolle trajecten leidt, vindt Jolle: “De echte meerwaarde zit in de samenwerking, in hoe dat idee uitgroeit tot veel meer dan het oorspronkelijk was.”
“Samenwerken in cultuur betekent ook: omgaan met weerstand, traagheid en administratieve barrières. Je moet kracht kunnen putten uit kwetsbaarheid, telkens opnieuw rechtkrabbelen. Goed zijn in onderhandelen.”
Toch botsen ze onderweg op hindernissen. “Bij vrijwilligersorganisaties merk je bijvoorbeeld dat sommigen al jarenlang op dezelfde manier werken. Veranderen is niet evident”, zegt Jochen. Jolle wijst op het belang om de administratieve en politieke context meteen mee te nemen in je aanpak. “Bij een lokaal bestuur moet je het managementteam overtuigen en rekening houden met procedures.”
Transversaal samenwerken
Partners uit andere sectoren hebben zelden een budget voor intensieve samenwerkingen met de cultuursector. “Er zijn immers geen hefboommiddelen in bv. zorg of onderwijs”, ondervindt Jolle. Wat volgens Hilde helpt, is middelen uit verschillende hoeken groeperen. “Subsidies blijven belangrijk, maar je moet inzetten op verschillende bronnen. Zo kan je de financiële last verdelen en sta je sterker. Door middelen samen te leggen, kan je projecten bovendien vaak groter maken en meer impact genereren.” Toch zijn alternatieve financieringsvormen niet altijd een wondermiddel.
An: “We hebben al vaak benefieten georganiseerd, maar als je ziet hoeveel moeite dat kost en wat het uiteindelijk oplevert, weet je: daarop alleen kan je echt niet bouwen.” Het vraagt structurele inzet en tijd – wat niet altijd beschikbaar is bij vrijwillig gedragen initiatieven. Hilde: “Vrijwilligers zijn heel belangrijk, maar om een bovenlokaal project te trekken, heb je ideaal gezien ook een beroepskracht nodig.” “Het zou visionair zijn als er ook middelen van andere sectoren toegevoegd worden aan de bovenlokale projectsubsidie”, vindt An. “Als er echt transversale middelen zouden zijn, kunnen organisaties uit andere sectoren ook indienen - met als voorwaarde natuurlijk dat er altijd een culturele partner moet zijn. Zo krijg je een ander soort dossier, met andere dynamieken”, zegt Jolle.
Samen springen naar groei
Naast de subsidielijn voor bovenlokale cultuurprojecten worden sinds 2024 ook kleinschalige projectsubsidies toegekend. Ze bieden kleinere organisaties de kans om ideeën uit te testen, samenwerkingen op te starten en ervaring op te doen. “Maar niet alles moet daarbij draaien om professionaliseren. Er moet ook hier ruimte blijven om te proberen, te prutsen en te groeien”, vindt An.
Dat de inhoudelijke beoordeling van kleinschalige bovenlokale projecten vanaf 2027 door een onafhankelijke jury binnen de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden voor cultuur (IGS’en) gebeurt, ziet Jolle als een kans. “Voor kleine vzw’s is het positief dat er een beoordeling komt die dichter bij de inhoud zit.” Dat IGS’en bij de kleinschalige subsidielijn ook ondersteuning zullen bieden, vindt Jolle goed én noodzakelijk. “Als we de hoop koesteren dat sommige aanvragers doorstromen naar een sectordecreet of Europese projecten, moet je ze stap voor stap meenemen en langzaam laten groeien.”
“Niet alles moet draaien om professionaliseren. Er moet ook hier ruimte blijven om te proberen, te prutsen en te groeien.” — An Van den Bergh
Tegelijk weerklinken ook enkele kritische noten. “Aangezien de maatschappelijke zetel van de aanvrager van een kleinschalig project vanaf 2027 in het werkingsgebied van een IGS-cultuur moet liggen, wordt het lastig voor wie daarbuiten actief is”, stelt Hilde. An wijst op een risico dat bovenlokale samenwerking kan worden gereduceerd tot puur regionale belangen. “Maar er zijn nog de grote transversale projecten waarbij die grenzen niet gelden”, nuanceert Jolle.
An: “De combinatie van projectmiddelen en IGS’en werkt inspirerend werken. Sommige IGS’en, zoals bv. Ecru, tonen hoe je bottom-updynamieken kan faciliteren: door heel open te werken, verbanden te leggen en nieuwe initiatieven te ondersteunen. Dat is the way to go.” Tijdens het gesprek resoneert een warme oproep om de algemene structuur van de projectsubsidies breed en open te houden. “Zo bouw je verder op wat er organisch groeit. Kansen moeten van onderuit kunnen groeien”, zegt An.
“In de toekomst moeten we onze bovenlokale ruimte blijven koesteren: met vertrouwen in het veld, open structuren en een beleid dat samenwerking niet enkel stimuleert, maar ook duurzaam ondersteunt. Zo blijven we samen springen naar groei”, besluit Jolle.