Wat hebben ontwerpers en cultuurwerkers van elkaar nodig?
Tekst / 17 september / Inge Van de Walle
We blikken graag terug op de community of practice #4 van Cultuurplekken van morgen. Daarvoor trokken we naar 't Kadaster in Oostende met één vraag: 'Wat hebben cultuurwerkers en ontwerpers eigenlijk van elkaar nodig?'. Want een cultuurwerker krijgt in zijn loopbaan maar één of twee keer met een bouwproject te maken. Hoe praat je dan met iemand die dat elke dag doet?
Locatie
We belandden niet zomaar in 't Kadaster, een voormalig politiegebouw in Oostende waar nu kunstenaars, jonge ondernemers en sociaal-culturele organisaties hun intrek hebben genomen. Onze nieuwsgierigheid was al gewekt, want Anne Mie Strubbe (curator bij De Stadsnomaden) kwam op een vorige inspiratiedag van Cultuurplekken van morgen heel enthousiast vertellen over 't Kadaster en de dromen van de Stadsnomaden.
We dachten meteen: daar moeten we naartoe! Het motto van de Stadsnomaden is "slapende plekken wakker maken". Ze willen deuren openen die in hun stad veel te lang dicht bleven, en dromen van een negende wijk voor Oostende. 't Kadaster is de eerste halte.
We luisterden eerst naar Annelies Augustyns van het Team Vlaams Bouwmeester. Daarna vroeg moderator Jana Kerremans drie ontwerpers naar hun drive en hun inzichten: ontwerpend onderzoeker Tom Callebaut (TC Plus) en architecten Maxim Czvek (Czvek Rigby) en Tom Gantois (Dertien12).
Wat volgt, zijn citaten en verhalen die we vanaf nu in onze oren knopen. We organiseerden deze dag voor de community, maar leerden er zelf minstens evenveel van.
Bouwen voor de samenleving, niet alleen voor het gebouw
Annelies Augustyns werkt sinds 2009 als architect bij het Team Vlaams Bouwmeester (Vlaamse overheid), een relatief klein team dat al vijfentwintig jaar publieke opdrachtgevers begeleidt. Ze werken alleen met opdrachtgevers die zelf aankloppen. Wie komt, brengt dus al een zekere ambitie mee. Die ambitie verdient ernst, legde Annelies uit.
"Wij zien goed opdrachtgeverschap als een echte culturele daad."
Een publieke opdrachtgever bouwt niet voor zichzelf, maar voor de hele samenleving. Het proces (hoe je ertoe komt) is vaak belangrijker dan het uiteindelijke resultaat."
Wat betekent dat in de praktijk? Om te beginnen: kijken naar wat er al is. Samen met gemeenten onderzoekt het team patrimoniumplannen die in kaart brengen welk vastgoed er is en hoe dat anders ingezet kan worden. Daarbij hanteren ze een opvallende volgorde. Eerst bekijken welke potentie een bestaand gebouw heeft, pas daarna bepalen welke functie erin past. Niet omgekeerd, want dan schrijf je gebouwen te snel af als 'ongeschikt'. De reden is eenvoudig: "Er zit al zoveel CO₂ in bestaande gebouwen dat we op zijn minst de structuur moeten hergebruiken." Kan afbraak echt niet vermeden worden, dan dient een gebouw op zijn minst nog als materialenbank.
Dat levert soms verrassende combinaties op. In Grimbergen blijft de Sint-Amandskerk een liturgische ruimte, maar krijgt ze via een centrale boekentoren ook een bibliotheek. In Herentals huizen een kunstencampus, een stadskantoor en een provinciekantoor samen in een voormalig Belgacom-gebouw.
Zulke plekken maak je niet alleen. Wie participatie pas inzet om een moeilijk project er alsnog door te krijgen, is te laat. "Voor ons is participatie zeker geen vrijblijvende oefening in draagvlakcreatie." Ze begint zo vroeg mogelijk en is telkens maatwerk. Vier jeugdbewegingen die samen een kerk herbestemmen, begonnen bijvoorbeeld met één grote Excel waarin ieders oppervlaktebehoeften naast elkaar kwamen te liggen. Van daaruit werd gepuzzeld: wat heb je echt nodig, en wat kan je delen? Bij Globe Aroma in Brussel ontwierpen de gebruikers mee aan iets zo eenvoudigs (en zo veelzeggends) als de toegangsdeur.
De ontwerper als compagnon de route, de cultuurwerker als expert in het gebruik
Tom Callebaut noemt zichzelf geen interieurarchitect, maar ontwerpend onderzoeker. Voor hem is elk verbouwproject een onderdeel van een groter veranderingsproces. Binnen tien jaar werken organisaties anders en nemen ze een andere rol op in de samenleving. Wie vandaag bouwt, bouwt dus eigenlijk voor overmorgen.
"Elk gebouw, elk project en elke organisatie is een gebaar waarmee je samen een wereld maakt voor de generaties na ons." — Tom Callebaut
Maar een bouwproject heeft de neiging om die blik te vernauwen. Normen, wetten, procedures: alleen al dat 'moeten' slorpt zoveel tijd en energie op dat de belangrijkste vraag uit beeld verdwijnt. "Waarom doen we dit eigenlijk? Waarom maken we deze keuzes?"
En dan is er het budget. Na dertig jaar in het vak durft Callebaut het bijna een wetmatigheid te noemen: de droom waarmee een project start, is altijd groter dan het beschikbare geld. Op een bepaald moment moet je schrappen. Dan heb je een moedige opdrachtgever nodig, want net dan sneuvelen vaak de maatschappelijke ambitie, de participatie of de kwaliteit van het gebruik. Terwijl het probleem misschien ergens anders zit. "Misschien is het programma gewoon te groot."
"Een programma van eisen is het absolute minimum. Een programma van wensen ligt ruimer en is van een heel andere orde: Wat wil je mogelijk maken?" — Tom Callebaut
Hoe hou je die waarom-vraag scherp?
Callebaut ziet minstens drie lagen.
-
Waarom doen we dit voor onze eigen werking?
-
Wat willen we betekenen voor de stad of de buurt?
-
En, als hoofdvraag: "Welk steentje willen we bijdragen aan de wereld?"
En de rol van cultuurwerkers in dat alles? Die is groter dan ze zelf vaak denken, vindt Callebaut. Zij zijn de experts in het gebruik. Ze weten hoe een plek functioneert en waar ze naartoe willen. Een ontwerper die het goed doet, maakt van het ontwerpteam een onderzoeksteam, met de opdrachtgever erin in plaats van ertegenover. Hij ziet zichzelf graag als compagnon de route: iemand die mee op weg gaat, tot ver na de oplevering.
Luister naar de ongehoorde stemmen rondom je
Maxim Czvek staat met zijn bureau aan twee kanten van de tafel. Hij ontwerpt, maar werkt ook geregeld voor opdrachtgevers aan studies en voortrajecten. Dat geeft hem een scherpe blik op participatie. Zijn eerste boodschap: participatie is nooit één workshop op één moment. Een publiek project draagt in elke fase participatie in zich. De intensiteit kan verschillen, maar de relatie met gebruikers blijft.
“Bij publieke opdrachten gaat veel aandacht naar de eindgebruiker of bezoeker. Terecht, maar er zijn ook mensen die een plek elke dag mogelijk maken: medewerkers, technische teams, poetsploegen. Hun stem wordt niet altijd benoemd, terwijl de werkplek voor hen even belangrijk is. Wij proberen als ontwerpers bewust die ongehoorde stem mee te brengen." — Maxim Cvzek
Hoe concreet dat kan worden, toonde hij met een kantoorproject. Een medewerker die dozen en logistiek verzorgde, dreigde uit het zicht in de kelder te verdwijnen. Het ontwerpteam stelde dat in vraag en gaf die persoon met een nieuwe werkplek onder de andere collega’s waardigheid en zichtbaarheid.
Czvek vertelde ook eerlijk over een traject waar participatie vastliep. Voor het Playbook for Hospitality zocht zijn bureau samen met Brusselse organisaties naar manieren om zich duurzamer en samen in de stad te vestigen, in plaats van telkens tijdelijk in leegstaande panden te belanden. Op een concrete locatie in de Noordwijk botsten ze op participatiemoeheid: buurtbewoners waren al zo vaak bevraagd dat ze vooral met rust gelaten wilden worden. Zo verdwijnt de buurtstem van tafel, terwijl nieuwe partijen wel ruimte komen innemen. Ook wie niet (meer) wil meedoen, is een ongehoorde stem. Want als ontwerper of opdrachtgever ontwerp je nooit alleen voor jezelf.
Want ook wie wél aan tafel zit, is het niet altijd met elkaar eens. Moet participatie dan eindigen in consensus? Niet noodzakelijk, zegt Czvek. Dan krijg je een compromis waarin alles een beetje zit, maar niets echt scherp is. Hij ontwerpt liever een kader dat nog kan veranderen. 'Slimme ruïnes', noemt hij dat: structuren die verandering kunnen opnemen, omdat visies nu eenmaal blijven veranderen.
Wat voor het gebouw geldt, geldt voor hem ook voor het proces. En daar zit meteen de grootste valkuil, eentje die sommige cultuurwerkers (en eerlijk: ook onszelf) even zal doen slikken: "wachten tot je zogezegd het perfecte kader hebt. Er bestaat geen echt leeg blad: er is altijd een context, een gemeenschap en een bestaande werking. Natuurlijk heb je een kader of visie nodig om rond te praten, maar het risico is dat je eindeloos visie ontwikkelt en ondertussen iedereen buiten laat.
Begin dus snel en laat verschillende sporen parallel lopen. Ook het ambitiekader en het proces zelf kun je samen ontwerpen. Je kunt bijvoorbeeld ook andere vormen kiezen dan een vergadering. In een masterplan voor een stadscampus hebben we de buurt betrokken via wandelingen. Het kader mag er zijn, maar laat het poreus.
Betrokkenheid die niet stopt bij de oplevering
Tijdens een verbouwing verliest een cultuurhuis soms twee jaar of langer zijn gewone plek. Hoe zorg je dan dat mensen niet afhaken?
Tom Gantois nam ons mee naar De Republiek in Brugge, toen een cultuurhuis met onder meer cinema, grand café en verschillende organisaties onder één dak. De opdracht was niet alleen om te verbouwen, maar ook om het huis een nieuw leven te geven. De vraag kwam er rond 2010, de verbouwing landde rond 2018. "Acht jaar is lang. In zo'n periode is het belangrijk dat mensen niet afhaken en dat ze eigenaarschap blijven voelen over wat er gebeurt." Van bij de start volgde een fotografe het proces, om de visie en inhoud onderweg niet kwijt te raken.
Tijdens de werken bouwde het ontwerpteam een heel eenvoudige houten luifel, waaronder de werking café kon houden en activiteiten organiseren. "Het was niet perfect en op regenachtige dagen lekte het wel eens, maar de werking bleef zichtbaar en aanwezig."
De werf werd ook ingezet om iedereen die betrokken was opnieuw trots te laten voelen. De winkels in de Sint-Jacobsstraat, die al die tijd de overlast van de werf slikten, kregen op een bepaald moment de werf als decor voor een modeshow, gecombineerd met een rondleiding. Net op een vuil moment, met half afgebroken muren, konden buurtbewoners zien wat er aan het ontstaan was. "Zo wordt de werf zelf een plek van ontmoeting en betekenis."
"Je kunt niet zeggen: we hebben iedereen gehoord, klaar. Ook de kledingwinkels in de buurt die last hebben van trillingen, stof en vrachtwagens zijn deel van het verhaal. Je kunt zoeken hoe je hen iets teruggeeft of hen een plek geeft in het proces."
Normaal verdwijnt de architect na de oplevering. Bij De Republiek gebeurde dat niet. Samen organiseerden ze 'Brieven aan de stad', waarbij mensen hun ideeën over stad maken aan Brugge konden koppelen. Er volgden wandelingen door wijken met mensen die elk met een andere bril naar dezelfde plek keken, en een gedeelde maaltijd in een kerk, met een tafelkleed als gespreksstarter.
De Republiek positioneerde zich steeds meer als stadsmaker. "Ik wil daar niet de pluim voor op onze hoed steken; het is een wisselwerking. We hebben elkaar gestimuleerd om verder te denken dan het gebouw alleen." Voor Gantois hoort dat bij het vak: "Ik denk dat een ontwerper niet alleen het ruimtelijke kader maakt, maar ook mee kan nadenken over de inhoud. Tegelijk moet je kunnen loslaten."
Wat kleinere cultuurhuizen daaruit kunnen meenemen? "Vooral: vergeet niemand. Kijk niet alleen naar hoe de deur of de stenen eruitzien, maar naar hoe je mensen doorheen het traject meeneemt. En: doe. Test. Probeer. Dat hoeft niet altijd groot of duur te zijn." In een ander project richtte hij in een bibliotheek een soort wonderkamer in. Een kast, een tafel en onder die tafel een plan van de stadswijk. Daar wordt vergaderd, zodat het proces zichtbaar is. In de kast liggen varianten en keuzes, zodat mensen kunnen zien waarom iets wel of niet wordt voorgesteld. "Het verschil zit vaak in niet denken: 'we tonen het later wel'. Doe het nu. Maak het zichtbaar en tastbaar."
Jana Kerremans vatte het interview samen in één zin: "Moedig opdrachtgeverschap kan je dus ook doen met de juiste compagnons."