Lokale en regionale cultuur over de grens — drie inzichten uit onze tweedaagse
Tekst / juni 2026
Met OPTEL brengen we regelmatig het netwerk van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (IGS) cultuur* samen. Maar één keer in de twee jaar pakken we het groter aan en gaan we op tweedaagse. Tijdens deze editie verlegden we letterlijk onze grenzen. Onder begeleiding van Noord-Frankrijk-kenner Bart Noels gingen we op verkenning in Lille, Villeneuve d’Ascq en Roubaix.
Waarom Noord-Frankrijk? In 2004 droeg Lille de titel van Culturele Hoofdstad van Europa. Die dynamiek zindert nog na. Je ziet het in Lille3000, een grootschalig cultuurevenement dat om de drie à vier jaar neerstrijkt met de geest en het internationale profiel van Lille2004. Wat dit initiatief sterker maakt, is de samenwerking met alle gemeenten uit de regio.
Die regiodynamiek voel je ook in de Métropole Européenne de Lille (MEL). Vandaag bouwt deze metropool op bovenlokaal niveau aan cultuur voor 95 gemeenten en ruim 1,1 miljoen inwoners. We delen graag drie opvallende inzichten met je, over lokaal en regionaal werken rond cultuur in Noord-Frankrijk.
1. Centralisatie versus regionale eigenheid
In Frankrijk gaat ongeveer 1% van het staatsbudget naar cultuur. Net zoals in Vlaanderen dragen de lokale besturen in Frankrijk een groot deel van het cultuurbudget zelf. Het land telt grote regio's en veel kleine gemeenten die sterk vasthouden aan hun eigen bestuur. Dat geeft ruimte om cultuur te ontwikkelen die echt bij de regio past.
De realiteit op het terrein botst de laatste tijd wel eens met het beleid. Het Franse Ministerie van Cultuur werkt tegenwoordig vooral met centrale projectoproepen. Omdat de grote lijnen voor cultuur van bovenaf worden gestuurd, sluiten ze niet altijd aan bij wat er lokaal leeft.
Tegelijkertijd zorgt die centrale sturing ervoor dat de regio grote maatschappelijke thema's kan aanpakken met een uitgebreid cultuurprogramma dat door vele partners wordt ingevuld. Zo bezochten we in de Gare Saint-Sauveur in Lille de expo ‘Méditerranée — Traversées’. Een expo met werk van duo's van Marokkaanse, Tunesische en Algerijnse kunstenaars, samen met Franse kunstenaars uit de diaspora.
Het voormalige station is een locatie in beheer van Lille3000, die bestaat uit twee hallen. Er gaan performances, expo's en kinderateliers door. En er is een bar en restaurant in typische guinguette stijl (een Franse zomerbar).
2. Het verhaal van de nieuwe stad
Villeneuve d’Ascq is een geplande stad uit de jaren 70. Cultuurhuis La Rose des Vents was het allereerste gebouw in de wijk Hôtel-de-Ville. In die tijd een bijzonder zicht: een betonnen kubus midden in de weilanden.
We bezochten de mediatheek van de stad. De werking ervan vertoont heel wat gelijkenissen met onze Vlaamse bibliotheken. Het is een 'derde plek', waar op dat moment heel wat studenten gefocust studeerden.
Wat tijdens ons bezoek ter sprake kwam, is de ligging van deze mediatheek in het zuiden van de stad. Voor inwoners uit het noorden betekent dit al snel een verplaatsing van 8 kilometer. Bibliothecaris Jean-Luc du Val vindt dat jammer: “Op die manier kun je geen bibliotheek zijn in het hart van de stad.” In Villeneuve d’Ascq lossen ze dit deels op met buurtbibliotheken die draaien op vrijwilligers en stadssubsidies. Ook stimuleren ze ouders actief om samen met hun kinderen te lezen en de bibliotheek te bezoeken. Ondanks de ligging hebben ze heel hoge bezoekersaantallen: het publiek vindt duidelijk zijn weg naar deze mediatheek."
Het zet ons aan het denken over ons eigen lokale cultuurbeleid. Welke afstand vind jij aanvaardbaar voor een bibliotheek in jouw regio?
3. Gelijkheid in de praktijk
In Franse cultuurhuizen kom je de 'publieksbemiddelaar' (médiateur culturel) vaker tegen dan bij ons. Cultuurhuizen streven ernaar om – binnen de beschikbare budgetten – per doelgroep een specifieke publiekswerker in te zetten, bijvoorbeeld voor verschillende leeftijdscategorieën bij jongeren. Hoe is dat bij onze praktijk? Is zo'n functie bij ons eigenlijk wel structureel genoeg ingebed in de teams van de gemeentelijke cultuurcentra?
Tegelijk is er een groot verschil in aanpak. Waar we in Vlaanderen graag vertrekken vanuit de lokale context en over gedetailleerde cijfers beschikken over de achtergrond van onze inwoners om een gericht diversiteitsbeleid te voeren, is dat in Frankrijk bij wet verboden.
Vanuit het republikeinse principe van égalité (gelijkheid) mag de overheid geen statistieken bijhouden over de etnische of culturele achtergrond van de bevolking, om stigmatisering te voorkomen. Voor ons als cultuurwerkers zorgt dat voor een flinke paradox. Want hoe evalueer je de impact van je diversiteitsbeleid als je de achtergrond van je doelgroep niet in kaart mag brengen? Hoewel er voor universitair onderzoek strikte uitzonderingen bestaan, blijft dit thema in Frankrijk een taboe en voer voor politiek debat.
* Dit zijn de regiocoördinatoren en medewerkers van de IGS’en cultuur en de trajectcoördinatoren van de IGS’en cultuur in wording.