Wat zijn de kansen en grenzen van gedeeld ruimtegebruik?
Redactie / Inge Van de Walle
Blikopeners Eva De Baerdemaeker en Pepijn Kennis namen het publiek van de tweede community of practice Cultuurplekken van morgen (op 9 september 2025, bij Timelab in Gent) mee in hun visie op gedeeld ruimtegebruik, aan de hand van drie stellingen.
Eva schetst Pepijn als iemand die zijn engagement voor de stad telkens weer een nieuwe vorm geeft:
“Hij begon bij Toestand vzw, dat leegstaande plekken in de stad nieuw leven geeft. Daarna werd hij parlementslid voor de burgerbeweging Agora, waar burgers uitgeloot werden om écht democratie te maken. En nu is hij gastprofessor Urban Studies aan de VUB, waar hij praktijkgericht onderzoek doet, gevoed door vragen uit organisaties, overheden en bedrijven. Altijd vertrekkend vanuit één overtuiging: De stad bloeit wanneer er ruimte is voor onverwachte ontmoetingen, gedeelde verantwoordelijkheid en sociale verbeelding.”
Eva zelf wordt door Pepijn geïntroduceerd als iemand die Brussel, ruimte en zoveel meer belichaamt. Hij leerde haar kennen bij Cultureghem. “Een fantastisch mooie plek, niet alleen architecturaal maar ook omdat ze straalt, omdat ze heel veel mensen bij elkaar brengt.”, zegt hij. Voor Pepijn is Eva iemand die de private en culturele sector weet te verbinden om samen kansen te vinden om de stad beter te maken.
Een zoektocht tussen privé, publiek en commons
“Laten we ruimte gebruiken en ruimte benutten.” Met die insteek schetst Pepijn hoe Eva’s werk bij Cultureghem en later bij de Broedplekken telkens draaide om het openstellen van bestaande plekken en het zoeken naar nieuwe allianties. Na haar passage op het kabinet startte Eva Plek-werk, waarin ze opnieuw zoekt naar combinaties van privaat en publiek gebruik, bijvoorbeeld in rusthuizen waar kunstenaars en buurtbewoners elkaar ontmoeten.
Stelling 1: Moet alle ruimte gedeeld zijn?
De eerste scherpe stelling luidde: In de cultuurplekken van morgen is alle ruimte gedeeld. Zowel Eva als Pepijn plaatsen kanttekeningen.
“Vandaag gaat het over gedeelde ruimte en dan gaan we daar een beetje van uit dat alle ruimte gedeeld moet zijn. Ik denk dat het geen goed idee is,” stelt Eva.
Zij benadrukt dat het vertrekpunt altijd de doelgroep moet zijn: “Is jouw plan om de ruimte te delen goed voor de mensen met wie je gaat samenwerken?”
Pepijn vult aan: “Soms heb je je eigen plek nodig als organisatie om veilig te kunnen werken met de doelgroepen. Het moet geen evidentie worden dat we puur vanuit financiële insteek alles moeten delen.”
Tegelijkertijd zien beiden de voordelen van delen: kruisbestuiving, energie, nieuwe netwerken. Maar het proces vraagt tijd en dialoog. Eva: “Bij ons was het echt proberen, vallen, opstaan en weer doorgaan. Je kan dat niet top-down beslissen. Open communicatie en transparantie zijn cruciaal.”
Stelling 2: Doet de private sector het beter?
De tweede stelling klonk provocerend: De private sector kan beter cultuurplekken organiseren dan de overheid.
Voor Pepijn gaat de discussie verder dan de tegenstelling overheid-privaat: “Er is een derde element, de civiele partner, de commons. Zo creëer je een driehoek waarin veel initiatieven zich kunnen bewegen. Coöperaties of burgercollectieven zijn vaak flexibeler en kunnen sneller inspelen op wat er nodig is.”
Eva illustreert dit met haar ervaring bij Cultureghem: “De hele start zou er niet zijn zonder dat het bedrijf Abattoir de poort had geopend en eigenlijk het eerste loon heeft betaald. Er waren geen subsidies. Ik werd gewoon betaald door een bedrijf dat zei: Doe maar.”
Volgens haar gaat het om vertrouwen en afspraken maken: “We zijn er zelfs in geslaagd om het grootste vegetarisch restaurant van Brussel te bouwen op de site van de slachthuizen. Het mag ook wel eens schuren, maar je moet goede afspraken maken.”
Stelling 3: Werkt een goed gebouw vanzelf?
De derde stelling luidde: Een goed gebouw werkt vanzelf.
Eva reageert resoluut: “Het idee dat multifunctionele ruimtes automatisch sociale interactie opleveren, klopt niet. Het is belangrijk te investeren in menselijke aanwezigheid. Niet alleen in bakstenen, maar ook in de mensen die je nodig hebt om die bakstenen te doen draaien.”
Pepijn sluit zich daarbij aan: “Als je een half miljoen hebt, steek dat niet allemaal in bakstenen. Investeer in het gebruik van de ruimte: een conciërge, een coördinator, mensen die de plek levendig houden.”
Daarnaast pleiten beiden voor het behoud van de experimentele kracht van tijdelijke projecten. Eva verwijst naar Raum in Utrecht, waar eerst jarenlang buiten geëxperimenteerd werd vooraleer een definitief gebouw kwam. “Durf loskomen van zekerheid. Start met de mensen en de stenen die er vandaag zijn.”
Lessen voor de toekomst
Uit het gesprek komen enkele duidelijke inzichten naar voren. Gedeelde ruimte is geen vanzelfsprekendheid, maar kan grote meerwaarde opleveren als er tijd en zorg gaat naar afspraken, communicatie en vertrouwen.
Samenwerking met de private sector hoeft geen bedreiging te zijn, zolang er gezocht wordt naar gemeenschappelijke doelen. En een gebouw leeft pas echt door de mensen en rollen die het dragen.
Zoals Pepijn het samenvat: “Blijf experimenteren, blijf flexibel. Houd de blik open.”