OP/HEF - grip op het ongewone
toekomstblik

Kan participatie het nieuwe normaal worden?

augustus 2020 / Wat als je met de kennis van nu naar de toekomst kijkt? Welke onverwachte, uitdagende, nieuwsoortige samenwerkingen zullen culturele spelers dan opzetten? Hoe leggen we nieuwe, ongewone linken? OP/TIL vroeg – in het kader van OP/HEF – enkele partnerorganisaties om die culturele toekomst in te kleuren.

Tekst / An Van den Bergh, stafmedewerker kunst- en cultuurparticipatie bij Dēmos vzw

Dit is niet het zoveelste artikel over COVID-19. Wel is de manier waarop alles zomaar verandert, zo ingrijpend dat er sprake is van een nieuw normaal. Dat is op zijn zachtst gezegd inspirerend. Specifiek voor de cultuursector schuif ik graag een ander toekomstbeeld naar voor dan dat van mondmaskers en social distancing. In dat toekomstbeeld is er ruimte voor de talenten en verbeelding van iedereen in onze samenleving. Want er is een andere realiteit die ons dwingt om te veranderen: de jarenlange onderwaardering en ondervertegenwoordiging van vele stemmen in onze cultuurpraktijk en de groeiende weerstand hiertegen door bewegingen als Black Lives Matter. Welkom in het nieuwe normaal waar participatie geen af te vinken doelstelling is, maar een uitgangspunt in een gelijker speelveld.

Cultuurparticipatie, een beleidsprioriteit

Cultuurparticipatie verhogen is een thema waar we in Vlaanderen toch al een paar decennia mee bezig zijn. Er werd een speciaal decreet aan gewijd, het Participatiedecreet. En meer en meer sectordecreten hebben er een specifieke functie of beleidsprioriteit voor, zoals het Kunstendecreet en recenter ook het decreet Bovenlokale Cultuurwerking. Met welk ultiem doel voor ogen?

Participatie gaat erom dat iedereen in onze samenleving zich gelijkwaardig cultureel en maatschappelijk kan ontplooien. Dit blijkt in de praktijk een serieuze uitdaging te zijn. De realisatie ervan hangt samen met die van andere grondrechten en heeft te kampen met structurele maatschappelijke uitsluitingsmechanismen. De aanpak ervan is dan ook complex en vraagt samenwerking in een netwerk van verschillende actoren, op verschillende beleidsniveaus. Een toekomstbeeld waarin participatie het nieuwe normaal is, lijkt nog ver weg. Hoe komen we daar?

Van deelnemen tot deelhebben

De voorbije decennia heeft het participatiebeleid geïnvesteerd in impulsen aan bestaande cultuurorganisaties om extra inspanningen te doen voor zogenaamd moeilijk bereikbare doelgroepen. Op het terrein zien we dat die organisaties verschillende participatiestrategieën inzetten om burgers kansen te bieden deel te nemen en deel te hebben aan het aanbod.

Overheden beschikken over tools rond toegankelijkheid, zoals De Drempelmeter. Er zijn goed werkende systemen voor kansentarieven zoals de UiTPas. Er zijn allerlei initiatieven om cultuurevenementen bereikbaar te maken. Het wegnemen van drempels is een belangrijke stap naar meer cultuurparticipatie, maar het is niet voldoende. Want er sluimert een dominant aanbodsdenken onder dat gericht is op toeleiding naar het eigen, al gekende aanbod. Een te enge focus op deelname aan het eigen aanbod doet onrecht aan de brede waaier van noden en interesses in onze samenleving. Het is belangrijk stil te staan bij de perspectieven van waaruit het eigen aanbod ontwikkeld is en welke uitsluitingsmechanismen er meespelen.

Meer en meer cultuurorganisaties zijn zich hiervan bewust en ontwikkelen hun aanbod in dialoog met burgers. Ze staan ervoor open dat er door inspraak of cocreatie iets nieuws kan ontstaan. Cultuurcentrum 30CC en kunstencentrum BUDA laten burgers mee programmeren om nieuwe perspectieven binnen te brengen in hun huis. Er bestaan leuke gespreksmethodes om met jongeren in dialoog te gaan over hun cultuurbeleving. Ultima Vez geeft diverse buurtbewoners de kans om te dansen in hun studio en maakt producties waarin zij de hoofdrol spelen. Burgers worden zo deelhebber van het aanbod.

Foto © Larf

Het wegnemen van drempels is een belangrijke stap naar meer cultuurparticipatie, maar het is niet voldoende.

“Wij noemen deze cultuurwerkers ruimteclaimers, omdat ze opkomen voor een gelijkwaardige plaats in de samenleving, voor zichzelf en voor de mensen waar ze mee werken.”

Een ongelijk speelveld

De cultuursector zet grote stappen op vlak van participatie, maar tegelijk blijft het schuren. Toont de veelal projectmatige aanpak niet aan hoe ongewoon participatief werken vandaag nog is? Bewijst het niet dat burgers normaal gezien niet mee beslissen over het aanbod in hun cultuurcentrum en dat mensen met een beperking meestal niet op het podium staan? Vertellen ze ons niet dat de mening van jongeren normaal gezien niet gevraagd wordt als er een nieuw cultuurcentrum wordt gebouwd en dat er doorgaans geen afvaardiging van buurtorganisaties in de bestuursraden van kunstenhuizen zit?

Klaas en Sofiane stelden met De Plantrekkerij in Nieuw Gent vast dat jongeren uit de buurt graag participeren, als ze voelen dat er echt naar hen geluisterd wordt en er iets gebeurt met hun ideeën. Dus besloten ze mini-ondernemingen te faciliteren waarbij de jongeren zelf aan het roer staan en budget beheren. Klaas: “Wat we doen, lijkt soms eerder straathoekwerk. Ik ben een fixer, een bruggenbouwer. Ik probeer op alles ja te zeggen, maar bots heel sterk op de beperkingen van het bestaande aanbod en op hokjesdenken.”

Er zijn talrijke cultuurwerkers die participatie als een basishouding zien. Zij werken in hun dagelijkse praktijk succesvol met bevolkingsgroepen die zich in de periferie van onze samenleving bevinden. Maar paradoxaal genoeg doen zij dat vaak zelf vanuit de periferie van het culturele veld. Ze krijgen minder overheidssteun en maatschappelijke erkenning dan centrumspelers die projectmatig op participatie inzetten. Ze botsen op een ongelijk speelveld.

Wij noemen deze cultuurwerkers ruimteclaimers, omdat ze opkomen voor een gelijkwaardige plaats in de samenleving, voor zichzelf en voor de mensen waar ze mee werken. Ze vertrekken vanuit een persoonlijke missie om een antwoord te bieden op de moeilijkheden en uitdagingen die ze ervaren. Ze kunnen niet langer verdragen dat er zoveel talenten en mogelijkheden onderbenut en ondergewaardeerd blijven. Daarbij botsen ze vaak op een mismatch met het bestaande aanbod.

Deze ruimteclaimers hebben recht om te bestaan en om gelijkwaardig ondersteund te worden door onze overheden. Ze laten zich niet zomaar voor de kar van andere cultuurorganisaties spannen als het gaat om het verhogen van cultuurparticipatie. Want het woord ‘participatie’ wringt bij hen, door het machtsonevenwicht dat eruit spreekt. Alsof iemand voor jou bepaalt of en waaraan je mag participeren.

“Vaagweg herinner ik mij nog dat ik had gezegd dat we moesten opletten ‘dat onze lichamen, onze gekleurde lichamen, niet deel zouden worden van een soort diversiteitscampagne, aanwezig zonder inspraak.’ Een ‘token’ heet dat dan. Emma-Lee Amponsah, mijn partner in crime bij Black speaks Back, noemde het ooit ‘het herkoloniseren van onze lichamen’ om de participatie- of ‘diversiteits’boxjes aan te tikken.” (Heleen Debeuckelaere, 2019)

Ook meer en meer doelgroepspecifieke organisaties zoals armoedeverenigingen en zelforganisaties weigeren hun zogenaamde doelgroepenschuif open te trekken voor cultuuraanbieders. Ze bedanken voor samenwerkingen waarbij ze niet voelen dat er een oprechte relatie is waar ze ook zelf dingen op de agenda kunnen zetten. De zoveelste vraag om mensen toe te leiden naar concerten of een eenmalig project wegen ze af tegen de noden van hun deelnemers en ze vragen zich af: what’s in it for them?

Het is een ongemakkelijke situatie voor veel cultuurorganisaties. Ze ontvangen meer overheidssteun dan deze ruimteclaimers, maar kunnen moeilijk waarmaken dat ze er zijn voor iedereen in de samenleving. Overheden zien dit democratische deficit niet of weten niet hoe ze het kunnen corrigeren. Intussen neemt de druk van onderuit toe. De realiteit dwingt ons tot een upgrade van ons denken over participatie.

De realiteit dwingt ons tot een update van ons denken over participatie.
  • An Van Den Bergh
  • “Cultuurorganisaties kunnen actief op zoek gaan naar andere netwerken en sleutelfiguren en ruimte maken voor hun initiatieven. Ze kunnen hun waardering uitspreken, andere stemmen aan het woord laten, advies geven, hun diensten of infrastructuur ter beschikking stellen of beroep doen op de expertise van ruimteclaimers en hen hier eerlijk voor vergoeden. ”
    An Van den Bergh stafmedewerker kunst- en cultuurparticipatie bij Dēmos vzw

Welkom in het nieuwe normaal

Het is de democratische plicht van cultuurorganisaties om meer diverse burgers naar hun aanbod toe te leiden (deelnemen) en hun aanbod te ontwikkelen vanuit een dialoog met burgers (deelhebben). Het is belangrijk dat overheden hiervoor impulsen voorzien en zorgen dat organisaties kunnen rekenen op ondersteuning en kennisdeling. Dat kan vanuit de sectordecreten, maar ook vanuit een flankerend beleid.

Om van participatie het nieuwe normaal te maken, moeten we daar bovenop een belangrijke stap vooruit durven zetten. Die stap kunnen we zetten vanuit een bewustwording dat het culturele speelveld fundamenteel ongelijk is. Er is participatie van mensen in de periferie van onze samenleving, maar hun initiatieven worden niet gelijkwaardig ondersteund. Kortom, de erkenning en middelen in de cultuursector zijn verdeeld langs sociaal maatschappelijke breuklijnen. Om dit te veranderen hebben we ruimtemakers nodig.

Cultuurorganisaties kunnen zich meer bewust zijn van hun eigen privileges en beperkingen. Ze kunnen actief op zoek gaan naar andere netwerken en sleutelfiguren en ruimte maken voor hun initiatieven. Ze kunnen hun waardering uitspreken, andere stemmen aan het woord laten, advies geven, hun diensten of infrastructuur ter beschikking stellen of beroep doen op de expertise van ruimteclaimers en hen hier eerlijk voor vergoeden.

Zomer van Antwerpen geeft de inhoudelijk-programmatorische kant van het festival meer en meer in handen van nieuwe, stedelijke netwerken. Twee maanden lang biedt de Zomerfabriek een overvolle agenda aan workshops, street parcours, dance battles en spoken word.

Foto © Sulaiman Jaffa

En zouden niet-culturele organisaties niet evengoed kunnen intekenen op cultuursubsidies voor een project met een culturele finaliteit?

Ook overheden kunnen zich er meer van bewust zijn dat het culturele veld zoveel groter is dan het eigen aanbod en het bestaande gesubsidieerde het aanbod. Cultuurbeleid is gebaat bij nabijheid, op elk beleidsniveau. Het krijgt best vorm in bestaande en nieuwe netwerken, in al dan niet formele verbanden, met expertise van zowel burgers en organisaties als ambtenaren en politici, uit een brede waaier aan stemmen en perspectieven. 

Het nieuwe cultuurbeleidsplan van Sint-Gillis zet de dialoog tussen lokale overheid en burgers of groepen burgers centraal in al hun acties.

Gert Philippeth van stad Genk vertelt hoe ze bij het uittekenen van hun lokaal cultuurbeleid uitdrukkelijk vertrekken van een sociale analyse: “Die analyse is een synergie tussen enerzijds een meer formele, cijfermatige benadering en anderzijds informele input die we op een organische manier verkrijgen via de netwerken waarin we ons begeven. Op verschillende manieren gaan we interactie aan met stedelijke partners, organisaties en stedelingen.”

Vanuit een netwerkanalyse kan cultuurbeleid differentiëren tussen ruimtemakers en ruimteclaimers, want ze hebben andere noden. Als gesubsidieerde organisaties beroep doen op projectsubsidies om een diverser publiek te bereiken, mag daar kritisch naar gekeken worden. Want zij kunnen de middelen en privileges die ze hebben ook delen met ruimteclaimers. Projectsubsidies kunnen bij uitstek worden ingezet om nieuw aanbod de kans te geven zich autonoom te ontwikkelen. Ambtenaren kunnen het groeipad van ruimteclaimers van dichtbij volgen, hen ondersteunen waar nodig met eenvoudige subsidiereglementen en hen een platform en netwerkmogelijkheden bieden. En zouden niet-culturele organisaties niet even goed kunnen intekenen op cultuursubsidies voor een project met een culturele finaliteit, omdat zij de vinger kunnen leggen op maatschappelijke noden waar cultuur een antwoord op kan bieden? Culturele democratie laat zich niet beperken door sectorgrenzen.

Een virus toont ons dat verandering zomaar kan, ook voor cultuuraanbieders. Een kunstenhuis werd een tijdelijk dagcentrum voor daklozen. Een cultuurcentrum trekt met zijn programma de wijken in. Maar we moeten niet naïef zijn, want tegelijk maakte het virus de maatschappelijke kloof in onze samenleving nog groter, ook op cultureel vlak. De strijd voor een gelijker speelveld is actueler dan ooit. Waar wachten we op?

“Een virus toont ons dat verandering kan, ook voor cultuuraanbieders. Een kunstenhuis wordt een tijdelijk dagcentrum voor daklozen. Een cultuurcentrum trekt met zijn programma de wijken in.”

Dēmos vzw

Dēmos vzw is het Vlaamse kenniscentrum voor vrijetijdsparticipatie van kansengroepen. Sinds 2018 organiseert Dēmos het verdiepingstraject Cultuur & Nabijheid waarmee het lokale actoren inspireert om een lokaal cultuurbeleid vorm te geven dat maximale participatiekansen biedt aan iedereen. Omdat deze missie ook gebaat is bij een sterke bovenlokale netwerkbenadering, sloot OP/TIL in 2020 aan.

An Van den Bergh

An Van den Bergh is sinds 2011 stafmedewerker kunst- en cultuurparticipatie bij Dēmos vzw. Daarnaast is ze zakelijk coördinator van het inclusieve theaterlabo Het Scheldeoffensief. Ze studeerde in 2006 af als sociaal pedagoog aan de KULeuven en werkte nadien als educatief medewerker bij Groep INTRO vzw en als medewerker kinderrechteneducatie en jongerenwerking bij Plan België.

Blijf op de hoogte en schrijf je in voor onze nieuwsbrief.

algemene nieuwsbrief
nieuwsbrief projecten